Blog: Identiteit

Door: Carol van Nijnatten, lid commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven

“Wie denk je wel niet dat je bent?” Een slachtoffer van seksueel misbruik dat zich bij het Schadefonds meldde, vertelde dat zij deze vraag als kind dagelijks naar haar hoofd geslingerd kreeg. De woorden werden gesproken door haar stiefmoeder die haar in het donker stond op te wachten, als ze thuiskwam van school. Ze bleef tot het laatst toe onzichtbaar en sprong dan plotseling te voorschijn als wilde ze het kind verrassen, beter gezegd, overvallen. Dan kromp het slachtoffer ineen en stamelde onverstaanbare verontschuldigingen, waarop haar stiefmoeder haar toesnauwde: “Wie denk je wel niet dat je bent, dat ik hier sta te wachten, dat ik voor je kook, dat ik je knopen aanzet?”

Na meer dan veertig jaar stonden die woorden nog in haar geheugen gegrift. Waarom zijn die woorden zo schadelijk?

De woorden van de ouders vormen de wereld van het kind. Kinderen vertrouwen hun ouders zonder dat zij een bewijs hoeven te leveren dat zij dat waard zijn. Kinderen nemen hun ouders’ voorstelling van de wereld onvoorwaardelijk voor waar aan, aldus de filosoof Wittgenstein. Ze twijfelen niet en gaan blindelings af op hun ouders. Ons handelen als kind bevindt zich doorgaans in een omgeving van zekerheid. Dan wordt als ‘vanzelfsprekend’ aan de volgende generatie doorgegeven dat de sterke voor de kwetsbare zorgt en dat de kwetsbare daarop mag vertrouwen.

Met haar vragen trekt de stiefmoeder die vanzelfsprekendheid in twijfel. Daarmee haalt ze de bodem weg onder het bestaan van haar stiefdochter. Het kind ontleent haar identiteit aan de woorden die door de ouders worden gesproken. Het kind identificeert zich met wat er van en over haar wordt gezegd. Uit de vraag zich te bedenken wie het nu eigenlijk is, blijkt dat haar bestaan niet vanzelf spreekt. De opmerking impliceert dat het kind niet goed is omdat het zich op de stiefmoeder verlaat.

De verhalen van slachtoffers die zich melden bij het Schadefonds laten zien dat seksueel misbruik geen geïsoleerd verschijnsel is maar vaak samengaat met minachting en vernedering. Het misbruik vindt meestal plaats in een context, waarin dommigheid, gebrek aan beheersing en een dubieuze moraal vaak hand in hand gaan. Daarom zijn de gevolgen voor de slachtoffers ook zo verstrekkend. Ze werden niet alleen als lustobject misbruikt, maar ook als mens ontkend. Dan ontstaat de beruchte bodemloze put. Alle goeds dat die mensen later in hun leven nog ervaren lijkt uit hun persoonlijkheid weg te stromen. Steeds doemt de vraag op wie ze wel niet denken dat ze zijn.

Of zoals A Roland Holst dicht:

“Mijn wezen is tot op den grond gespleten
Hoe heel ik wat zóo ver begint?
Wat heeft dit hart zoo diep uiteengereten
Dat het geen eenigheid ooit vindt?”

 

 

image_pdfimage_print

Deel dit bericht